Armoede krijgt de schuld voor de slechtste uitkomsten in de samenleving—maar het is niet de echte schuldige. Wanneer ontwikkelingspsychologen de uitkomsten van de kindertijd onderzoeken—dingen zoals afstudeerpercentages, middelenmisbruik, rijden onder invloed en opsluiting—kijken ze nauwkeurig naar wat die uitkomsten later in het leven voorspelt. Een variabele die ze vaak bestuderen is de hardheid van de kindertijd, wat in wezen betekent opgroeien in een gezin met een laag inkomen. Met andere woorden, hoe arm een gezin was. Wat veel studies echter vinden, is dat de relatie tussen het gezinsinkomen en die latere uitkomsten verrassend zwak is. In sommige gevallen is er slechts een kleine correlatie; in andere gevallen is er helemaal geen betekenisvolle verbinding. Daarentegen onderzoeken onderzoekers ook een andere factor: de instabiliteit of onvoorspelbaarheid van de kindertijd. Dit wordt gemeten aan de hand van indicatoren zoals hoe vaak een kind van huis verhuisde, hoeveel romantische partners een primaire verzorger had, en hoeveel dagelijkse onzekerheid het leven van het kind kenmerkte. Hier zijn de resultaten veel consistenter. Kindertijdinstabiliteit toont een sterke associatie met negatieve uitkomsten later in het leven—effecten die als groot worden beschouwd volgens de normen van dit onderzoek. Cruciaal is dat, zelfs wanneer onderzoekers statistisch controleren voor gezinsinkomen, vroege instabiliteit een krachtige voorspeller blijft van opsluiting, middelenmisbruik en andere ongunstige uitkomsten.