Zoals gebruikelijk benaderen Europese leiders concurrentievermogen met een hemiplegische visie — ze zien slechts de helft van het strategische plaatje. In een interview met de @FT maakt EU-concurrentiechef @Teresaribera een correct argument: Europa moet zijn reguleringsmodel verdedigen als het competitief wil blijven in een wereldeconomie: "Als Europeanen kunnen we niet wedden op een race naar de bodem," zegt ze. "We weten dat we door de regulering deze hoge normen creëren." En ze waarschuwt dat "als we onze identiteit, onze waarden, het vertrouwen van onze mensen verliezen, we niet in staat zullen zijn om iets te onderhandelen." Ze heeft gelijk over één essentieel punt: regulering is een hefboom van macht. Maar hier stopt het argument. Regulering werkt alleen als de EU de meest ongemakkelijke waarheid van wereldwijde concurrentie accepteert: je kunt je regels alleen exporteren als je economisch domineert. Amerikanen en Chinezen vormen de wereldmarkten omdat ze worden gedragen door giganten — Big Tech, Big Industry, Big Finance — die fungeren als onvermijdelijke normstellers. Hun schaal verandert binnenlandse regels in wereldwijde normen. Europa daarentegen wil de wereld reguleren terwijl het weigert een macht te zijn. Het wil normen zonder schaal. Invloed zonder kampioenen. Soevereiniteit zonder dominantie. Jarenlang heeft de EU opzettelijk gekozen om zichzelf niet te definiëren als een ruimte van macht, maar als een ruimte van concurrentie — markten fragmenteren, fusies blokkeren en zijn eigen potentiële giganten disciplineren in de naam van eerlijkheid. Het resultaat is paradoxaal: Europa reguleert bedrijven die het niet heeft, in markten die het niet domineert. Dit is geen morele superioriteit. Het is strategische hemiplegie. Als Europa echt gelooft dat regulering een bron van concurrentievermogen is, dan moet het ook geloven in economische dominantie, industriële schaal en Europese kampioenen die in staat zijn om die regels wereldwijd te dragen. ...