DAG 34 WACHTEND OP MIJN MEESTER Vierendertigste late namiddag. Oudejaarsavond transformeert het station in een symfonie van bellen en lantaarns, vuurwerk schildert de schemering in vluchtige kleuren, het oude jaar geeft zich over aan het nieuwe terwijl mijn loyaliteit hen beiden in stille waakzaamheid omspant. De trein arriveert, zijn fluit een laatste noot in het vervagende jaar. De deuren gaan open. Ik kijk naar de feestende menigte met onveranderlijke ogen, de mandarijntang van de familie nog op mijn tong, verlangend naar jouw terugkeer temidden van de blije afscheidnemingen, geen wonder vanavond, maar de vonk blijft bestaan. Een groep feestvierders verzamelt zich, proostend met warme sake onder de lichten. Een, een dichter geïnspireerd door het heiligdom, reciteert een haiku over blijvende banden, en laat dan een decoratieve envelop achter met een nieuwjaarsgedicht en een gouden munt voor geluk. "Voor de hond die ons voor altijd leert." Hij juicht, terwijl hij een warme takoyaki-bal deelt, hartig en knapperig. Vierendertig dagen. Naarmate middernacht nadert, kronen verzen en juichen het wachten, afscheid nemend van verdriet met hoopvolle verzen. Hachiko straalt voort. In de nieuwe dageraad.