De oude koning Farao krijgt toegang tot een tijdmachine en reist 3000 jaar vooruit. Hij landt op de luchthaven van Caïro in Egypte. Farao herkent de gesproken taal niet, de beoefende religie niet en de aanwezige cultuur niet. Alexander de Grote krijgt toegang tot een tijdmachine en reist 2200 jaar vooruit. Hij landt op de luchthaven in Athene, Griekenland. Alexander herkent de taal niet, de beoefende religie niet, of de cultuur niet. Dan reist Caesar 2000 jaar vooruit en landt in Rome. Weer herkent hij de taal niet, begrijpt de religie niet, en vat niet veel van de cultuur. Dan reist koning David van Jeruzalem 3000 jaar vooruit en landt op de Ben Gurion luchthaven in Tel Aviv. Hij vraagt iemand in het Hebreeuws of de restaurants koosjer zijn, en de persoon antwoordt in dezelfde taal als koning David spreekt dat ze inderdaad koosjer zijn. Koning David vraagt dan hoe hij naar Jeruzalem kan reizen, zijn eeuwige hoofdstad, en het antwoord komt meteen in het Hebreeuws terug. Koning David ziet dan zijn boek van Psalmen in dezelfde taal als waarin hij het schreef, in de boekenkast van elk huis en bedrijf dat hij ziet. Het Joodse volk is inheemse bewoners van het land Israël op manieren die andere naties alleen maar kunnen dromen.