Een wijze zat binnen in een tempel die hij voor één persoon had gebouwd. Een boom groeide door de vloer. De deur stond open. Niemand kwam binnen. De boom droeg vruchten. De wijze plukte ze niet. De vruchten vielen en de zaden groeiden uit tot meer bomen en de tempel vulde zich met groen totdat de muren barstten en het dak opsteeg en het gebouw een bos werd en de wijze nog steeds op dezelfde plek zat, maar de plek was niet langer binnen iets. Hij was niet verplaatst. De kamer was hem ontgroeid.